Hoe werd de Bijbel opgeschreven?

De eerste verhalen van de Bijbel werden niet onmiddellijk opgeschreven door de mensen die ze meegemaakt hebben. Ze werden mondeling doorverteld van vader op zoon. Zo gebeurde met de verhalen over Adam, Noach, Abraham, Isaak, Jakob en Jozef. Pas later zijn die opgeschreven.

De alleroudste teksten (voor er papier bestond) werden op stenen, potscherven of kleitabletten geschreven. De eerste Bijbelverhalen die werden opgeschreven waren waarschijnlijk de wetten van Mozes in 1250 v.C. De kleitablet op de foto hierboven dateert uit 2800 v.C.
Wil je zelf eens een kleitablet maken, klik dan op deze link voor instructies:

Vanaf ± 3100 v.C. had men in Egypte het papyrus uitgevonden, gemaakt van de pit van de papyrusplant. Later kwam het perkament, gemaakt van dierenhuiden, die grondig werden bewerkt: dit was leder en dus behoorlijk duur. In sommige eeuwen werd meer perkament gebruikt, in andere eeuwen meer papyrus, al naargelang de prijzen van beide. In het begin werden boeken altijd opgerold: deze boekrollen waren soms tot 10 meter lang. Later (enkele eeuwen n.C.) werden ze ingebonden en aan elkaar genaaid (= codex): het voordeel hiervan was dat men de beide kanten van het papier kon gebruiken, en ook alle geschriften samen in één boek kon steken.

